Geschiedenis van de archeologie als wetenschap: verschil tussen versies

Uit Limes-wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
(Voor de Romeinse Limes Zomer schreef Tom Hazenberg een artikel over de geschiedenis van de archeologie als wetenschapsterrein)
(geen verschil)

Versie van 9 aug 2015 om 18:00

Archeologie als wetenschap Al twee eeuwen zijn archeologen druk met opgravingen langs de Romeinse Limes in Nederland. De eeuwen ervóór kenmerken zich vooral door schatgraverij op castellumlocaties en bewondering voor de Bataven, die het hadden gedurfd in opstand te komen tegen de Romeinse keizer. De eerste systematische opgravingen werden uitgevoerd door Caspar Reuvens, de eerste professor archeologie ter wereld. Vanaf 1827 groef hij in Voorburg. Daar lagen de funderingen van de stad Forum Hadriani, de toenmalige hoofdstad van het westen van de Limeszone. Op dezelfde zorgvuldige wijze ontdekte hij in 1834 een Romeins gebouw bij Fort Krayenhoff in Nijmegen.

Het zou nog een kleine eeuw duren tot deze wetenschappelijk aanpak vervolg zou krijgen. De rest van de 19e eeuw kenmerkt zich tot losse ontdekkingen, zoals de zilveren zwaardschede in de Oude Rijn bij Leiderdorp. Eind 19e eeuw werden in Vechten en Nijmegen bij graafwerkzaamheden duizenden Romeinse objecten ontdekt. De arbeiders die deze vondsten deden verkochten deze door en zo ontstonden grote Romeinse collecties. De vondsten uit Vechten vonden onderdak bij het Provinciaal Utrechts Genootschap en de Nijmeegse bodemschatten kwamen uiteindelijk grotendeels in handen van de industrieel Gerard Kam, de stichter van het Gemeentelijk Museum Kam. Vermeldenswaardig is nog de ontdekking in 1892 van een Romeins marineschip bij Vechten. Vanuit het RMO werden slechts enkele kleinschalige opgravingen uitgevoerd langs de limes.

Twintigste eeuw De systematische opgravingen deden hun herintrede in het begin van de 20e eeuw om nooit meer te verdwijnen. Jan Hendrik Holwerda, conservator en directeur van het Rijksmuseum van Oudheden, had de nieuwste opgravingsmethoden geleerd in Duitsland en gebruikte deze bij zijn opgravingen in Nijmegen, Leiden, Valkenburg, Voorburg en in de duinen van Den Haag-Ockenburgh. Kenmerkend aan zijn opgravingen was de aanleg van talloze proefsleuven – en dus geen grote putten – op grond waarvan hij vergaande conclusies durfde te trekken. In Nijmegen meende hij Bataafse nederzettingen te herkennen. In Leiden ontdekte hij het castellum Matilo op de kruising van de Rijn en het Kanaal van Corbulo. In Valkenburg meende hij een grensfort te herkennen, in Voorburg een vlootstation en in Ockenburgh een Cananefaats dorp. Nu bijna een eeuw later blijken zijn conclusies niet geheel correct te zijn. Zijn Nijmeegse sporen bleken getuigen van de Romeinse versterking op het Kops Plateau. In Valkenburg had hij juist een handelsdorp voor castellum aangezien. Het Voorburgse vlootstation bleek een stad. En van Ockenburgh kon hij niet veel maken. Wat betreft Matilo had hij wel gelijk. Toch was zijn werk van groot belang.

Zijn assistent was de latere hoogleraar Albert van Giffen. Al snel groeide er tussen Holwerda en Van Giffen grote onenigheid over de onderzoeksmethoden. Ook Van Giffen was een vernieuwer. Hij haalde zijn technieken vooral uit de biologie. Zo kon hij wel het castellum van Valkenburg ontdekken. Na zijn opgravingen aan de voet van de Utrechtse Domtoren naar het Utrechtse castellum, begon hij in de Tweede Wereldoorlog zijn opgravingen in Valkenburg, dat na de bombardementen zou worden verbouwd. De schitterende plattegronden van de verschillende bouwfasen van het grensfort als gevolg van de grootschalige en stratigrafische opgravingsstrategie zijn in talloze boeken in zowel binnen- als buitenland gepubliceerd.

Na de Tweede Wereldoorlog Na de oorlog, in de tijd van veel bouwactiviteiten langs de Rijnoever, vulde een nieuwe generatie archeologen de Romeinse limes steeds verder in door vele spectaculaire ontdekkingen: Alphen aan den Rijn, Zwammerdam, Woerden en De Meern verdichtten de limes in west-Nederland. De principia van Meinerswijk (Arnhem) en de grafsteen van M.Mallius van Herwen vormen zeldzame resten langs de Rijn in Gelderland. Vermoed wordt dat in deze zone de rivier al meanderend veel Romeinse forten heeft weggespoeld. Zeldzaam is het marskamp dat ten Noorden van de Rijn bij Ermelo is aangelegd en ontdekt in de jaren ‘70. Ook hebben de laatste 50 jaar veel opgravingen plaatsgevonden in het achterland van de limes op militaire fortificaties in Nijmegen (Castra, Kops Plateau en Valkhof) en in Cuijk. Nog net in de 20e eeuw werd een van de poorten van het fort van Bodegraven ontdekt.

De Limes als systeem Zo zijn de forten waarvan werd vermoed dat ze nog in de bodem zaten grotendeels door archeologen in kaart gebracht. En naast de forten is ook een groot deel van het hele grensbewakingssysteem teruggevonden: wegen en mijlpalen, havens en schepen, die tussen de forten in bewaakt werden door de wachttorens. De archeologen van de afgelopen twee eeuwen hebben samen een complete geschiedenis van de limes opgegraven en beschreven. De Nederlandse limes is daarmee een van de beste onderzochte delen van het Romeinse rijk. En de archeologen graven door en ontdekken steeds weer iets nieuws. Hun verhalen zijn te vinden langs de Romeinse limes.